Stichting MoRo (UGent) rijkt persoonlijkheidsprijs uit voor Henk Meeldijk (MinIenW)

  • 19 november 2018

Henk Meeldijk, de ambtenaar van de afdeling internationaal van het Nederlands ministerie van Infrastructuur & Waterstaat die o.m. de relaties met Vlaanderen behartigt, kreeg vorige week de persoonlijkheidsprijs van de Stichting MoRo.

Stichting MoRo is een vereniging die de intellectuele erfenis behartigt van planoloog prof. dr. em. Georges Allaert (UGent). De MoRo-prijs gaat naar publicaties en naar een individu die grote verdiensten hebben op het snijvlak van ruimtelijke ordening en mobiliteit.

Henk Meeldijk kreeg de prijs omwille van zijn grote inzet in het vinden van win-win-situaties voor zowel Nederland als voor Vlaanderen inzake meerdere belangrijke logistieke projecten – zoals de totstandkoming van de fusie van de havens van Gent en van Zeeland Seaport tot Nord Sea Port – een fusie die meteen, in waardecreatie uitgedrukt, de derde belangrijkste Europese haven vormt, na Antwerpen en Rotterdam.

De publicatieprijs ging naar het artikel van Peter Vervoort, Sara D’Haese en Nick Deham ‘Meer bewegen door ruimtelijk beleid: analyse van walkability in Vlaanderen.

Onderstaand de reactie van Henk Meeldijk.

 

Geachte aanwezigen, Minister, juryvoorzitter,

Heel veel dank voor uw prachtige woorden, die u zojuist heeft uitgesproken, bij de toekenning van dit MoRO Laureaat.

Bijzonder om deze prijs te mogen ontvangen, voor het ‘in mijn ogen’ gewoon doen van mijn werk. Zeker ook nu ik de eerste Nederlander ben die het laureaat ontvangt.

Wat vind ik in mijn werk belangrijk? Ik neem u even mee naar afgelopen zaterdag.

In het Financiële Dagblad, op de bladzijde Werk & Geld las ik de volgende zin: ‘Ieder huwelijk dat ouder is dan een week kent gronden tot echtscheiding. De kunst is, het vinden van gronden om bijeen te zijn.’

Het vinden van gronden om bijeen te zijn, is voor mij een belangrijke waarde. Dat kan niet zonder wederzijds respect en goed naar elkaar willen luisteren. Het is vaak een zoektocht om gezamenlijkheid te vinden. En dan onderzoeken of resultaten haalbaar zijn. Buiten-het-doosje kunnen en willen kijken.

In mijn werk zie ik vele dossiers, die letterlijk over de Nederlandse grenzen gaan. Veel opgaven worden tot een oplossing gebracht. Dan wordt de conclusie getrokken dat bijvoorbeeld een project wel of niet tot uitvoering komt.

Zelf krijg ik geregeld dossiers op mijn bureau die ik aanduid als “wicked problems”. De juryvoorzitter heeft er zojuist een aantal genoemd. Het gaat dan om dossiers die zo complex of diffuus zijn, dat een oplossing onmogelijk lijkt.

Zulke dossiers zijn voor mij een uitdaging. Dan wordt het voor mij leuk. Waar begin je en wat is mogelijk? En niet beginnen met wat onmogelijk is of lijkt.

Duidelijk dat het bij complexe projecten gaat om het betrekken van de spelers aan beide zijden van de grens. Praten, praten, praten over wat de beweegredenen van de actoren zijn en om te onderzoeken waarom een dossier vast zit.

Voor mij gaat het om grensoverschrijdende samenwerking. Enkele jaren geleden werd vooral tussen staten overlegd. Met de steeds verdergaande verdeling van bevoegdheden over bestuurslagen, niet alleen in België maar ook in Nederland, gaat het steeds meer om interbestuurlijke, grensoverschrijdende samenwerking. Ik werk dan ook veel met de Nederlandse provincies en de verschillende bestuurslagenlagen hier, samen om grensoverschrijdende projecten tot besluitvorming te brengen.

Steeds samenwerken en helder krijgen wat er aan de hand is. Soms gaat het gewoon om belangen, soms om cultuur en om het elkaar verstaan, soms gaat het om verschillen in besluitvorming.

Wij hebben in Nederland met het MIRT, het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, een goed ontwikkeld mechanisme om bestuurders te faciliteren bij de besluitvorming over investeringen. Echter in de praktijk is het MIRT minder geschikt voor grensoverschrijdende projecten. Dat wordt ingezien en daar wordt op dit moment dan ook over nagedacht.

Om helder te krijgen wat er in het domein van mobiliteit en ruimte nodig is, kijk ik graag vanaf een afstand naar een gebied.

Landkaarten boeien mij. Voor dit werk vind ik de machtig mooie beelden van “Europe by night” een inspiratiebron. Met de weergave van het uitstralend licht kan je zien waar mensen wonen en waar de economische centra zich bevinden.

Hoe kan ik verbinden en hoe doe ik dat op de beste manier? Grenzen zijn dan opeens minder belangrijk. Doe even alsof de grens er niet is en kijk wat het beste is voor mensen en economische centra. Ontwikkel gezamenlijk een visie. Deze manier van werken is voor mij “grens ontkennend samenwerken”.

In onze staatsstructuur zijn grenzen een gegeven. Als de economische ontwikkeling wordt geremd door de grens, reduceer dan zoveel mogelijk de effecten van de grens.

Verschillen hoeven niet vervelend te zijn. Verschillen geven ook kleur. Als het net even anders is aan de andere kant, dan kan je daar ook je voordeel mee doen. Als student wist ik dat maar al te goed.

Beleidsmatig hebben we het nu vaak over: “van grenzen aan de groei, naar groeien aan de grens”. Het grensgebied, de periferie van een land, biedt veel potentieel. Als je vanuit Maastricht of Venlo ook de andere kant van de grens meeneemt en breder kijkt dan is het potentieel opeens enorm veel groter.

Soms kan je daar met bestaand instrumentarium zo maar een oplossing tot stand brengen, zoals bij de Albertknoop met de Benelux regelgeving.

Geachte aanwezigen, ik sta voor het verbinden van mensen en dossiers om samen stappen verder te zetten in het belang van alle betrokkenen. Om resultaten te boeken is het nodig:

  • Iedereen te betrekken;
  • Systemen en mechanismen te doorgronden;
  • Buiten-het-doosje te willen en kunnen kijken;
  • Overtuigd te zijn dat geven en nemen nodig is;
  • Elkaar iets te kunnen gunnen voor het bereiken van resultaten.

Graag blijf ik me inzetten om complexe dossiers los te trekken en een nieuwe impuls te geven. Met veel plezier denk ik ook met u mee.

Ik dank u.