Hedwigepolder maakt zich op voor wadlopers

  • 10 september 2020

De schop is in de grond. Terwijl veel Zeeuwen nog moeite hebben met de ontpoldering van de Hedwigepolder, worden de eerste contouren zichtbaar van wat een paradijs voor wadvogels zal zijn.

Vanaf een radartoren aan de rand van het gebied staren Monique Ekkebus van de Provincie Zeeland en Pepijn Calle van Het Zeeuwse Landschap over de meest besproken polder van Nederland en Vlaanderen. “Hier direct voor ons ligt de Prosperpolder, het Vlaamse deel van het gebied dat ontpolderd wordt. Die lag al die jaren al te wachten op de besluitvorming in Nederland”, vertelt Ekkebus, namens de provincie projectleider van de ontpoldering. Of ‘realisatie intergetijdennatuur Prosper- en Hedwigepolder’, zoals ze zelf liever zegt. Calle tuurt door zijn verrekijker. “Een visdiefje, en je hoort kluten. Die twee broeden hier samen met kokmeeuwen en zwartkopmeeuwen op de broedeilanden die de Belgen in de tussentijd hebben aangelegd. Maar ook deze polder wordt opnieuw ingericht en komt onder invloed van het getij.”

De Hedwigepolder was lange tijd onderdeel van een politieke en juridische strijd, waarbij met name de Vogelbescherming de overheid dwong zich aan afspraken te houden. Het kabinet-Balkenende zette de ontpoldering nog even op losse schroeven en later beloofde staatssecretaris Bleker de Zeeuwen de polder op zijn minst voor een deel te sparen. “Bleker heeft dingen toegezegd die hij helemaal niet waar kon maken”, zegt Ekkebus, “Er lagen gewoon afspraken waaraan Nederland juridisch gehouden was.”

De ontpoldering van beide polders was onderdeel van een akkoord over de Westerschelde. Daarin maakten Nederland en België onder andere afspraken over verdieping van de Westerschelde. “Maar het is geen compensatie voor de verdieping”, benadrukt Ekkebus. “Er is vaak gezegd dat wij in Zeeland een polder moeten opofferen ten behoeve van de haven van Antwerpen. Maar die relatie kun je niet leggen, het is onderdeel van een overkoepelend plan voor verbetering van natuur, toegankelijkheid en veiligheid.”

Uitgekiend geulenstelsel

In maart ging dan eindelijk de schop in de grond. Het is geen kwestie van doorbreken van de dijk en vol laten lopen van de polder, maar een precieze inrichting met uitgekiend geulenstelsel. In het Nederlandse deel klimmen Ekkebus en Calle de dijk op om het resultaat van het graafwerk te zien. In het voormalige boerenland is een brede geul te zien, met in het midden een beetje water. “Het lijkt nu heel klein”, zegt Ekkebus, “maar dit is alleen het huidige grondwater wat je ziet. Die hele geul met het vlakke ­talud staat straks altijd onder water.”

Het graafwerk ligt nu even stil vanwege het bouwverlof van de Vlaamse uitvoerders. Later krijgt de hoofdgeul verschillende vingers het gebied in. Ekkebus laat op een kaart het beoogde geulenpatroon zien, gebaseerd op de kreken die er vroeger liepen. “Het hele gebied zal met hoogwater onder water lopen”, zegt Ekkebus. “Die geulen zijn juist bedoeld om het water ook weer snel af te voeren, zodat er op een groot deel bij laagwater een slikkige vlakte droogvalt.”

En die slikkige vlakte is waar het om te doen is. Het vormt een leefomgeving voor bodemdieren, die op hun beurt vogels aantrekken. “Het gaat om wat we noemen laagdynamische natuur, slikken en platen die droogvallen of waar een klein laagje water blijft staan. Die zijn langs de Westerschelde steeds meer verdwenen, waardoor vogelsoorten als zwarte ruiter en bonte strand­loper in de problemen komen”, zegt Calle. Uiteindelijk, als de polder door aanslibbing ophoogt, zullen ook schorren met zouttolerante planten ontstaan. “Juist die combinatie van schorren, slikken en platen is waardevol, zoals je ook ziet in het naastgelegen Verdronken land van Saeftinghe”, zegt Calle. “Met een oppervlakte van circa 40 km2 vormen de Hedwige-Prosperpolder en het Verdronken Land van Saeftinghe straks samen het grootste aaneengesloten brakwaterschor van Noordwest-Europa.”

Industrieel landschap

Dat wil niet zeggen dat er in de omgeving alleen maar natuur is te zien. Aan de overzijde van de Westerschelde doemt het industriële landschap van de Antwerpse haven op, rechts zijn de enorme koeltorens van kerncentrale Doel zichtbaar en voor ons vaart een gigantische tanker richting zee. “Toch kan ik hier ook wel van genieten, en heel veel mensen”, zegt Ekkebus. “Juist die combinatie is uniek. Dat willen we ook versterken in het Grenspark Groot Saeftinghe, een grensoverschrijdend samenwerkingsproject waarin we naast natuur ook juist de koppeling met de economie, landbouw en de mensen in het gebied maken.”

De Hedwigepolder

De dijk waar we op staan, zal uiteindelijk vrijwel geheel verdwijnen. Enkele stukken worden omgevormd tot broedeiland. “Er komt ook een eiland waar we schietwilg en zwarte populier gaan planten, wat op termijn als slaapplaats voor visarenden kan ­dienen. Eigenlijk hopen we op broedende zeearenden, dat zou echt de kroon op het grenspark zijn”, aldus Calle.

Niet alleen vogels zullen profiteren van de nieuwe natuur, ook voor vissen kan de polder volgens Calle een belangrijke functie krijgen. “Voor jonge platvis, haring en sprot kan het een ideale kraamkamer worden. Die soorten zijn ook voor commerciële visserij belangrijk.”

Aangekomen aan het andere einde van de polder geeft een bord aan waar de belangrijkste publieksvoorziening moet komen: een enorme panoramaheuvel om over het gebied uit te kijken. Op een visualisatie op het bord zijn naast de heuvel wadlopende mensen te zien, verderop vogelaars die de langstrekkende steltlopers volgen. “Je kunt straks natuurlijk niet het hele gebied in, maar dit wordt een mooie plek om het nieuwe gebied te bekijken”, zegt Calle.

De trotse beheerder wil ook graag nog even de andere kant op lopen, om het huidige natuurgebied te laten zien: het Verdronken Land van Saeftinghe. “Kijk, dit is een beetje zoals de Hedwigepolder eruit kan gaan zien”, zegt Calle. “Nou ja, over een paar honderd jaar. Want het duurt lang voordat het zover opgehoogd is. Voorlopig is de Hedwige met de slikken vooral een waardevol foerageergebied voor vogels.”

Tekst: Koen Moons
Bron: Dagblad Trouw